Tagarchief: verhaal

Kaukel

blur brass chrome close up

‘Hej schrale!’ De kweerman roept me toe met rood aangelopen gelaat. Iedereen van wie hij de naam niet kent, heet voor hem ‘schrale’, waarbij hij de ‘s’ uitspreekt als ‘sj’. Sjchrale. ‘Plier jij die kaukel maar even!’

‘Komt in orde, baas!’ Zo zelfverzekerd als ik kan opbrengen, wandel ik naar de bank met werktuigen en neem er willekeurig één vast. Het is een zware, gietijzeren tang, voorzien van diverse uitsteeksels. De symmetrische vorm doet me vaag denken aan een schematische prent in mijn biologieboek. De baarmoeder.

‘Plieren, had ik gezegd, schrale, niet glanken,’ klinkt het vanuit een andere hoek van de werkplaats.

‘Ah, oei, ik had me vergist,’ antwoord ik met een verontschuldigend lachje, terwijl ik vlug het tuig dat ik vast had – blijkbaar een glank of een glanker – terugleg. Ik buig me opnieuw over de alaambak en bestudeer dit keer wat aandachtiger het voor handen zijnde materiaal. Mijn ogen dwalen over lange, bochtige sleutels, hoekige schroevendraaiers met wonderlijk gevormde koppen, complexe toestellen met veertjes, radertjes en hendels, en een minuscuul zilverkleurig hamertje met drie haaks op elkaar staande koppen. Waarmee zou ik die kaukel best plieren? Met een hoopvolle blik wend ik me tot een collega, maar zij is naarstig in de weer met een document dat dringend geëpibreerd moet worden, vermoedelijk bestemd voor Vanuatu of één van de Sandwicheilanden, waar de kaukels geknareld worden met een laagje vok.

Ik zucht, grijp met een bang hart het hamertje en begeef me naar de kweerman, die een ingewikkelde bewerking uitvoert met iets wat lijkt op een ouderwetse onderbroek. Bij nader inzien ís het een ouderwetse onderbroek.

‘Ha, ben je daar eindelijk,’ blaft hij, ‘hier, begin maar te plieren.’

Ik hef met bevende hand het hamertje op, en nog voor ik het kan laten neerkomen op wat ik vurig hoop dat een kaukel is, schreeuwt de kweerman: ‘Waardeloos stuk vreten!’

Hij grist me het werktuig uit de hand en begeleidt me hardhandig naar een kamertje dat aan de werkplaats grenst, en waar ik me de rest van de voormiddag ledig houd met het afwassen van koffiekoppen. Telkens wanneer de kweerman me in het oog krijgt, mompelt hij iets in de trant van ‘beunhaas’ of ‘incompetente amateur’.

En ik kan hem moeilijk ongelijk geven. Want hoewel ik er na de middag in slaag nog een half dozijn wilpen te valgeiren, en zelfs niet onaardig een prok baluin, heb ik, wanneer het aankomt op kaukels plieren, bitter weinig meerwaarde te bieden.

UIL.KEVER.VIERDEWAND

Dit verhaal is een gastbijdrage van Alexander Verbist, een gelijkgestemde schrijver waarmee ik een verhaal uitwisselde. We kwamen overeen dat beide kortverhalen het woord ‘karbonkel’ moesten bevatten. Verder gunden we elkaar totale vrijheid.
Mijn hersenspinsel vind je tussen Alexanders andere pennenvruchten op zijn blog.

Op een zoele zomeravond zitten Uil en Kever naast elkaar op de tak van een boom. De tak hangt enkele bomen af van het huis van Uil, in het bos waar Uil en Kever met heel wat andere dieren samenwonen.

Uil en Kever bespreken de gebeurtenissen van die dag. Dat doen ze wel vaker op die tak. En vaak mondt dat uit in discussies over Zware Thema’s. Over filosofie bijvoorbeeld. Heel Zwaar.

Kever houdt net een betoog over de ecologische impact van zijn vegetarische eetkeuzes, wanneer hij in het midden van een zin plots stopt met praten en voor zich uit begint te staren.

‘Kever…’, begint Uil.

‘Karbonkel’, zegt Kever.

‘Karbonkel?’

Kever draait zijn kop naar Uil.

‘Jep. Karbonkel.’

‘Waarom zeg je dat?’

Kever schudt zijn kop. ‘Je gaat me voor gek verklaren.’

‘Tuurlijk niet. Kom op, zeg het.’

‘Eerlijk: ik heb geen idee. Het kwam gewoon in me op. Het lag op de punt van mijn tong en het moest eruit.’

‘Je voelde dus uit het niets de neiging om er een willekeurig woord uit te flappen?’

‘Ja.’

‘Merkwaardig.’

Uil en Kever blijven even stil. Kever schraapt zijn keel: ‘Uil, vraag jij je soms wel eens af of dit allemaal wel echt is?’

‘Wat bedoel je?’

‘Wel, jij leest veel romans en verhalen, toch? Wat als wij nu eens de personages zijn in iemands verhaal? Wat als al onze dromen, ideeën en handelingen door iemand zijn neergepend, puur voor het leesgenot van anderen?’

Uil blijft even stil.

‘Dus jij denkt dat er nu iemand meeleest met ons gesprek, dat iemand dit woord, het woord ‘woord’ leest, en misschien wel denkt: “hé, hebben die fictieve diertjes het nu over mij?”. Dat bedoel je?’

‘Exact.’

Uil schikt haar veren. ‘Goh, ik kan niet zeggen dat ik dat nooit overwogen heb, nee. Maar zoveel ben ik er niet mee bezig. Waarom vraag je het?’

‘Gewoon, ik dacht eraan door dat karbonkel-woord.’

Beide dieren doen er het zwijgen toe. Tijdens een vijftal minuten is zowel Uil als Kever in mentaal worstelwerk verzonken. Tot Uil uiteindelijk het woord herneemt.

‘Kever, maak je er vooral niet te veel zorgen om. Misschien is dit gesprek wel fictief. Maar who cares? Goed eten, lang mediteren, uitbundig feesten of heerlijk knuffelen: voor ons blijven die ervaringen hetzelfde. Ook al zijn het de brainfarts van een schrijvende nitwit.’

Kever knikt langzaam. Uil gaat verder.

‘Daarnaast, waar zou dat verhaal over gaan? Jou of mij of iemand anders in dit bos volgen en onze gesprekken opschrijven? Wie zit daar nu op te wachten? Saaie, absurde en pseudofilosofische gedrochten zouden dat zijn.’ Uil knipoogt.

Kever glimlacht. ‘Helemaal gelijk, Uil.’ Opnieuw valt een stilte.

‘Uil?’

‘Ja, Kever?’

‘Wat betekent “karbonkel”?’

‘Een groep steenpuisten.’

‘Oh.’

EINDE