Tagarchief: proza

Kaukel

blur brass chrome close up

‘Hej schrale!’ De kweerman roept me toe met rood aangelopen gelaat. Iedereen van wie hij de naam niet kent, heet voor hem ‘schrale’, waarbij hij de ‘s’ uitspreekt als ‘sj’. Sjchrale. ‘Plier jij die kaukel maar even!’

‘Komt in orde, baas!’ Zo zelfverzekerd als ik kan opbrengen, wandel ik naar de bank met werktuigen en neem er willekeurig één vast. Het is een zware, gietijzeren tang, voorzien van diverse uitsteeksels. De symmetrische vorm doet me vaag denken aan een schematische prent in mijn biologieboek. De baarmoeder.

‘Plieren, had ik gezegd, schrale, niet glanken,’ klinkt het vanuit een andere hoek van de werkplaats.

‘Ah, oei, ik had me vergist,’ antwoord ik met een verontschuldigend lachje, terwijl ik vlug het tuig dat ik vast had – blijkbaar een glank of een glanker – terugleg. Ik buig me opnieuw over de alaambak en bestudeer dit keer wat aandachtiger het voor handen zijnde materiaal. Mijn ogen dwalen over lange, bochtige sleutels, hoekige schroevendraaiers met wonderlijk gevormde koppen, complexe toestellen met veertjes, radertjes en hendels, en een minuscuul zilverkleurig hamertje met drie haaks op elkaar staande koppen. Waarmee zou ik die kaukel best plieren? Met een hoopvolle blik wend ik me tot een collega, maar zij is naarstig in de weer met een document dat dringend geëpibreerd moet worden, vermoedelijk bestemd voor Vanuatu of één van de Sandwicheilanden, waar de kaukels geknareld worden met een laagje vok.

Ik zucht, grijp met een bang hart het hamertje en begeef me naar de kweerman, die een ingewikkelde bewerking uitvoert met iets wat lijkt op een ouderwetse onderbroek. Bij nader inzien ís het een ouderwetse onderbroek.

‘Ha, ben je daar eindelijk,’ blaft hij, ‘hier, begin maar te plieren.’

Ik hef met bevende hand het hamertje op, en nog voor ik het kan laten neerkomen op wat ik vurig hoop dat een kaukel is, schreeuwt de kweerman: ‘Waardeloos stuk vreten!’

Hij grist me het werktuig uit de hand en begeleidt me hardhandig naar een kamertje dat aan de werkplaats grenst, en waar ik me de rest van de voormiddag ledig houd met het afwassen van koffiekoppen. Telkens wanneer de kweerman me in het oog krijgt, mompelt hij iets in de trant van ‘beunhaas’ of ‘incompetente amateur’.

En ik kan hem moeilijk ongelijk geven. Want hoewel ik er na de middag in slaag nog een half dozijn wilpen te valgeiren, en zelfs niet onaardig een prok baluin, heb ik, wanneer het aankomt op kaukels plieren, bitter weinig meerwaarde te bieden.