Tagarchief: kortverhaal

Richard Vooghelenpick

Husqvarna_mowersRichard Vooghelenpick was er nu wel heel zeker van: zijn grasmaaier was een reïncarnatie van Adolf Hitler.

Hoewel de machine nu al enkele weken onaangeroerd in het tuinschuurtje stond, werd Richard sedert enige tijd geteisterd door duistere dromen die hij moeilijk kon duiden. Hij droomde bijvoorbeeld hoe hij, bulderend van het lachen, zijn konijn Flappie VI in de oven stak en de gaskraan open draaide. Of hoe hij zonder pardon de tuin van zijn buurman annexeerde, waarop hij de arme heer Nößkötl beval zijn eigen bakkebaarden af te scheren en ze met peper en zout te verorberen. De respectabele man gehoorzaamde gedwee, de doodsangst in zijn ogen. Telkens wanneer Richard Vooghelenpick uit zo’n droom ontwaakte, rook hij de geur van versgemaaid gras en tweetaktolie. Dit kon geen toeval zijn, begreep hij.

En dus stond hij nu besluiteloos voor de gammele deur van het schuurtje, waarachter de boosaardige grasmaaier zich voorlopig koest hield. Wat kon hij doen? Het toestel vernietigen? Maar hoe moest hij dan voortaan zijn gras maaien? En zou de geest van Hitler dan niet gewoon over springen naar een spade of naar de oude kruiwagen?

‘Richard, ’t eten is gereed!’

Dat was Trampoline, zijn vrouw. Richard haalde zijn schouders op, stelde het probleem Hitler uit tot na de maaltijd, en begaf zich naar binnen, alwaar hij spruiten met worst en puimsteen nuttigde. Dat vond hij zo lekker, dat hij na het eten prompt in slaap viel op de bank.

Die nacht brak het kleine hangslot op de deur van Richard Vooghelenpicks tuinschuurtje in tientallen stukken. Een gedisciplineerd leger van tuingereedschap verspreidde zich bliksemsnel over de rustige buitenwijk, en bezette op gewelddadige wijze grote delen van Europa voor verschillende jaren.

Kaukel

blur brass chrome close up

‘Hej schrale!’ De kweerman roept me toe met rood aangelopen gelaat. Iedereen van wie hij de naam niet kent, heet voor hem ‘schrale’, waarbij hij de ‘s’ uitspreekt als ‘sj’. Sjchrale. ‘Plier jij die kaukel maar even!’

‘Komt in orde, baas!’ Zo zelfverzekerd als ik kan opbrengen, wandel ik naar de bank met werktuigen en neem er willekeurig één vast. Het is een zware, gietijzeren tang, voorzien van diverse uitsteeksels. De symmetrische vorm doet me vaag denken aan een schematische prent in mijn biologieboek. De baarmoeder.

‘Plieren, had ik gezegd, schrale, niet glanken,’ klinkt het vanuit een andere hoek van de werkplaats.

‘Ah, oei, ik had me vergist,’ antwoord ik met een verontschuldigend lachje, terwijl ik vlug het tuig dat ik vast had – blijkbaar een glank of een glanker – terugleg. Ik buig me opnieuw over de alaambak en bestudeer dit keer wat aandachtiger het voor handen zijnde materiaal. Mijn ogen dwalen over lange, bochtige sleutels, hoekige schroevendraaiers met wonderlijk gevormde koppen, complexe toestellen met veertjes, radertjes en hendels, en een minuscuul zilverkleurig hamertje met drie haaks op elkaar staande koppen. Waarmee zou ik die kaukel best plieren? Met een hoopvolle blik wend ik me tot een collega, maar zij is naarstig in de weer met een document dat dringend geëpibreerd moet worden, vermoedelijk bestemd voor Vanuatu of één van de Sandwicheilanden, waar de kaukels geknareld worden met een laagje vok.

Ik zucht, grijp met een bang hart het hamertje en begeef me naar de kweerman, die een ingewikkelde bewerking uitvoert met iets wat lijkt op een ouderwetse onderbroek. Bij nader inzien ís het een ouderwetse onderbroek.

‘Ha, ben je daar eindelijk,’ blaft hij, ‘hier, begin maar te plieren.’

Ik hef met bevende hand het hamertje op, en nog voor ik het kan laten neerkomen op wat ik vurig hoop dat een kaukel is, schreeuwt de kweerman: ‘Waardeloos stuk vreten!’

Hij grist me het werktuig uit de hand en begeleidt me hardhandig naar een kamertje dat aan de werkplaats grenst, en waar ik me de rest van de voormiddag ledig houd met het afwassen van koffiekoppen. Telkens wanneer de kweerman me in het oog krijgt, mompelt hij iets in de trant van ‘beunhaas’ of ‘incompetente amateur’.

En ik kan hem moeilijk ongelijk geven. Want hoewel ik er na de middag in slaag nog een half dozijn wilpen te valgeiren, en zelfs niet onaardig een prok baluin, heb ik, wanneer het aankomt op kaukels plieren, bitter weinig meerwaarde te bieden.

Baldarics weemoed

Baldaric de Visigoot tuurde over de zee. Zijn gezicht was getekend met de ruwe etsnaald van een leven op het slagveld. Met zijn zevenentwintig winters was hij de oudste van de horde, die zich razendsnel en plunderend een weg had gebaand door het continent. Mannen afslachten, vrouwen verkrachten, schuren leegroven en dorpen platbranden; in feite had hij nooit een ander bestaan gekend. En ook nu dronk hij buitgemaakte wijn uit de schedel van een Frankische hoofdman, terwijl de zon uitbundig stralend stierf in de oceaan.

Was het de ongegeneerde kleurenpracht van vermiljoen en karmozijn? Was het de loensende blik van de oude vrouw die hij eerder die dag had opgeknoopt, die hem deed denken aan zijn moeder, een half leven geleden achtergelaten in een onooglijk steppedorp? Of lag het toch aan de wijn, die weliswaar zoet was als honing, maar onmiskenbaar een weeë afdronk droeg? In elk geval werd Baldaric al starend overweldigd door een melancholie die hem tot dan toe vreemd was. En blikkend over de grote waterplas voor zijn voeten, vroeg hij zich af of dit wel het juiste leven was voor hem. Toegegeven, hij was een succesvol krijgsman, gevreesd door de vijand en geëerd door zijn strijdmakkers. Maar zou hij niet gelukkiger geweest zijn als hoefsmid, ijzer smedend bij het hete vuur, en op zachte toon de paarden toesprekend, toe maar beestje, rustig, ik doe je geen pijn? Of had hij niet meer vreugde kunnen scheppen in het rustige en mystieke bestaan van genezer, kruiden plukkend en oude spreuken prevelend om zijn stamgenoten te beschermen tegen boze geesten en ander onheil? Baldaric zuchtte. Het waren carrières die, alvast op het vlak van work-life-balance, een pak beter scoorden dan die van zwervende soldaat.

Een opwellende traan verbijtend voor die gemiste levens, ledigde de krijger zijn wijnkroes. Langzaam, zich bewust van elke beweging, trok hij zijn zware strijdkledij uit. De maliën rinkelden, de ruwe stoffen gleden ritselend langs zijn gespierde en gehavende lichaam. Zijn zwaard plantte hij in het goudkleurige zand. De zon was intussen volledig verzwolgen, en liet slechts een zachte roze gloed na op de spaarzame wolken. Sterren en planeten verschenen schuchter aan de hemel. Baldaric ademde diep in, liet de zoute zomerlucht zijn longen vullen. Vastberaden stapte hij het water in tot de deining zijn knieën overspoelde, hurkte zich, en deed in stilte zijn gevoeg.

Hij voelde zich op slag een stuk beter.

UIL.KEVER.VIERDEWAND

Dit verhaal is een gastbijdrage van Alexander Verbist, een gelijkgestemde schrijver waarmee ik een verhaal uitwisselde. We kwamen overeen dat beide kortverhalen het woord ‘karbonkel’ moesten bevatten. Verder gunden we elkaar totale vrijheid.
Mijn hersenspinsel vind je tussen Alexanders andere pennenvruchten op zijn blog.

Op een zoele zomeravond zitten Uil en Kever naast elkaar op de tak van een boom. De tak hangt enkele bomen af van het huis van Uil, in het bos waar Uil en Kever met heel wat andere dieren samenwonen.

Uil en Kever bespreken de gebeurtenissen van die dag. Dat doen ze wel vaker op die tak. En vaak mondt dat uit in discussies over Zware Thema’s. Over filosofie bijvoorbeeld. Heel Zwaar.

Kever houdt net een betoog over de ecologische impact van zijn vegetarische eetkeuzes, wanneer hij in het midden van een zin plots stopt met praten en voor zich uit begint te staren.

‘Kever…’, begint Uil.

‘Karbonkel’, zegt Kever.

‘Karbonkel?’

Kever draait zijn kop naar Uil.

‘Jep. Karbonkel.’

‘Waarom zeg je dat?’

Kever schudt zijn kop. ‘Je gaat me voor gek verklaren.’

‘Tuurlijk niet. Kom op, zeg het.’

‘Eerlijk: ik heb geen idee. Het kwam gewoon in me op. Het lag op de punt van mijn tong en het moest eruit.’

‘Je voelde dus uit het niets de neiging om er een willekeurig woord uit te flappen?’

‘Ja.’

‘Merkwaardig.’

Uil en Kever blijven even stil. Kever schraapt zijn keel: ‘Uil, vraag jij je soms wel eens af of dit allemaal wel echt is?’

‘Wat bedoel je?’

‘Wel, jij leest veel romans en verhalen, toch? Wat als wij nu eens de personages zijn in iemands verhaal? Wat als al onze dromen, ideeën en handelingen door iemand zijn neergepend, puur voor het leesgenot van anderen?’

Uil blijft even stil.

‘Dus jij denkt dat er nu iemand meeleest met ons gesprek, dat iemand dit woord, het woord ‘woord’ leest, en misschien wel denkt: “hé, hebben die fictieve diertjes het nu over mij?”. Dat bedoel je?’

‘Exact.’

Uil schikt haar veren. ‘Goh, ik kan niet zeggen dat ik dat nooit overwogen heb, nee. Maar zoveel ben ik er niet mee bezig. Waarom vraag je het?’

‘Gewoon, ik dacht eraan door dat karbonkel-woord.’

Beide dieren doen er het zwijgen toe. Tijdens een vijftal minuten is zowel Uil als Kever in mentaal worstelwerk verzonken. Tot Uil uiteindelijk het woord herneemt.

‘Kever, maak je er vooral niet te veel zorgen om. Misschien is dit gesprek wel fictief. Maar who cares? Goed eten, lang mediteren, uitbundig feesten of heerlijk knuffelen: voor ons blijven die ervaringen hetzelfde. Ook al zijn het de brainfarts van een schrijvende nitwit.’

Kever knikt langzaam. Uil gaat verder.

‘Daarnaast, waar zou dat verhaal over gaan? Jou of mij of iemand anders in dit bos volgen en onze gesprekken opschrijven? Wie zit daar nu op te wachten? Saaie, absurde en pseudofilosofische gedrochten zouden dat zijn.’ Uil knipoogt.

Kever glimlacht. ‘Helemaal gelijk, Uil.’ Opnieuw valt een stilte.

‘Uil?’

‘Ja, Kever?’

‘Wat betekent “karbonkel”?’

‘Een groep steenpuisten.’

‘Oh.’

EINDE

Eddy Vergeynst

Alsof het een plechtig ritueel betrof, vouwde Eddy zijn zakdoek op. Hij had daarbij een geheel eigen methode ontwikkeld, waardoor hij een lichte trots voelde opborrelen telkens wanneer hij de handeling stelde. De eerste vouw ging diagonaal, waardoor een gelijkbenige driehoek ontstond. Dit had als voordeel dat het neusvocht dat Eddy net als overtollig had gecategoriseerd zich concentreerde, zonder een ander deel van de zakdoek te bevuilen. Eddy snuitte namelijk steevast eerst in één hoek van de zakdoek, en werkte systematisch de andere hoeken af. De volgende vouw halveerde de driehoek op zo’n manier, dat er geen enkele kans bestond op onaangename ervaringen wanneer zijn neus een volgende keer ontlast moest worden.

Zorgvuldig de zakdoek in zijn broekzak stekend, keek hij opzij en zag hoe miljoenen stofdeeltjes ronddwarrelden in een streep zonlicht die door het raam viel. Elk deeltje zat ooit ergens aan vast, besefte Eddy, het maakte deel uit van een groter geheel. Misschien keek hij nu wel naar een stukje van zijn eigen snor, bedacht hij, terwijl hij met zijn ogen het onvoorspelbare traject van een willekeurig partikel volgde. Of zweven daar een stukje kat en een stukje hond broederlijk naast elkaar, stukjes die mekaar in hun oorspronkelijke toestand naar het leven zouden staan.

Meegesleept in deze existentiële gedachten, kwam hij tot de vaststelling dat het morgen exact drie jaar geleden zou zijn sinds zijn vrouw van hem was weggegaan. Martine was een goede echtgenote geweest voor hem, en hij had het haar dus niet kwalijk genomen dat ze op een bepaald moment vertelde dat ze hem wilde verlaten. Zo had ze het gezegd: ‘Eddy, ik wil je verlaten.’ Raar eigenlijk, dat is niet de manier waarop mensen in het echte leven zeggen dat ze bij hun partner weg willen. Maar toch zag hij haar nog zo die vijf woorden uitspreken, in de keuken van hun toenmalige woning: ‘Eddy, ik wil je verlaten.’ Heel kalm en overtuigd. Ze hadden er verder weinig woorden aan vuil gemaakt. Martine bleef in het oude huis wonen, terwijl Eddy een appartement betrok aan de andere kant van de stad. Strikt genomen had Eddy dus Martine verlaten in plaats van andersom. Ze had beter gezegd: ‘Eddy, ik wil dat je me verlaat.’ Maar dat zou nog raarder geklonken hebben.

Het geluid van een schuifelende stoel herinnerde Eddy aan waar hij was. Hij draaide langzaam zijn gezette lichaam om en zag drieëntwintig paar vragende ogen hem gadeslaan. Hoe lang zou hij hebben staan mijmeren, vroeg hij zich af. Dit overkwam hem de laatste tijd steeds vaker. Zou het dit het zijn waar zijn oudere collega’s hem soms voor waarschuwden? Het ‘stilvallen-halverwege-de-les’? Het ‘wegdromende-leraar-syndroom’? De ‘alzheimerdocent’?

‘Jongens, meisjes, leg jullie schriften even opzij, ik heb iets belangrijks te vertellen,’ kondigde Eddy aan op strenge leraarstoon.

‘Toch geen toets he,’ schrok Marieke, een ietwat simpel wicht waar Eddy niettemin graag les aan gaf. Zij stelde tenminste geen moeilijke vragen.

‘Neen, Marieke, wees gerust, geen toets. Het zal jullie misschien verbazen, maar er zijn belangrijker zaken in het leven dan toetsen.’

De klas, die zulke uitspraken niet gewoon was van meneer Vergeynst, zoals Eddy voor zijn leerlingen door het leven ging, spitste collectief de oren en wachtte nieuwsgierig op wat komen zou.

‘Ik vermoed dat jullie mij zien als een ietwat saaie oude leraar, een beetje te dik en met weinig gevoel voor humor,’ begon Eddy. Hij keek even de klas in om het effect van zijn woorden in te schatten, maar de pubers bleven relatief onbewogen. Enkel Frank, de grappenmaker van de klas, knikte grijnzend. ‘Maar wat ik jullie wil vertellen is iets wat jullie nooit mogen vergeten. Vergeet voor mijn part het verschil tussen een complément d’objet direct en een complément d’objet indirect, vergeet dat het la voiture is en le garage, ook al gaat het eerste in het tweede…’ Een licht gegniffel steeg op vanop de achterste rij, maar Eddy negeerde dit professioneel. ‘Vergeet wie A la recherche du temps perdu geschreven heeft, maar vergeet niet wat ik vandaag zal vertellen.’

Nu hij de aandacht van de klas had, zette hij een stap naar voren en plaatste zijn linkervoet op een stoel. ‘Velen onder jullie zullen denken dat ik gek geworden ben. Dat is mogelijk. Aan hen wil ik zeggen: besef dat wie door een psychotische samenleving als gek bestempeld wordt, wellicht gezonder is dan de normalen in die maatschappij. Wat ik ga doen, doe ik niet uit krankzinnigheid of waanzin, neen…’ Terwijl hij deze woorden sprak, begon hij zijn veters los te knopen. ‘Ik doe het omdat ik een beslissing heb genomen. En dat is wat jullie ook moeten doen. Beslis wie je bent, beslis wie je wil worden, beslis wat je nodig hebt en wat niet. Ik heb net beslist dat ik geen schoenen nodig heb.’ Met een voor zijn gestalte erg sierlijke zwaai, trapte hij zijn zwartlederen linkerschoen tegen de achterwand van het klaslokaal. Enkele meisjes gilden, maar Eddy liet zich niet onderbreken door dergelijke beuzelarijen.

‘En ik zal jullie vertellen waarom ik geen schoenen nodig heb,’ zei Eddy met rustige stem, terwijl hij zich ook van zijn rechterschoen ontdeed, ‘ik heb geen schoenen nodig omdat ik vandaag nog een andere beslissing genomen heb. Een veel grotere beslissing, die een enorme impact zal hebben op mijn leven (en allicht ook – zij het in mindere mate – op dat van jullie).’ Hij knoopte zijn das los en legde die zorgvuldig op de lessenaar vooraan. Zijn vest drapeerde hij over de rugleuning van de stoel waarop zonet nog zijn voet had gestaan, en onder de ongelovige blikken van de leerlingen begon hij zijn broek los te knopen.

‘Jongens en meisjes…’ Eddy stopte even toen hij in zijn rechterbroekzak iets voelde. Een verdikking, een stuk stof… zijn zakdoek. Een fractie van een seconde aarzelde de leraar Frans. Dit lapje van nog geen tien vierkante decimeter bracht hem even mentaal aan het wankelen: een opgevouwen brief uit het verleden, een post-it van zijn oude leven die aan zijn nieuwe bleef kleven. Resoluut rukte hij echter zijn broek over zijn dikke dijen naar beneden, ontdeed zich van zijn hemd en sokken, schoof het raam open en riep de klas in: ‘Jongens en meisjes, vandaag heb ik besloten dat ik een merel ben! Je suis un merle noir!

Luid fluitend zette hij zich schrap, klom op de vensterbank, spreidde zijn armen, en fladderde zielsgelukkig de horizon tegemoet.

De oversteek

Sommige dingen kan je voorzien, je kan je erop trainen. Andere dingen komen zoals ze komen. En soms heb je gewoon pech. Natuurlijk heb ik wel eens eerder een viervaksbaan gedaan. In moeilijker omstandigheden zelfs, bij regen en bovenaan een lichte helling, waardoor het verkeer minder goed zichtbaar is, en je rekening moet houden met slipgevaar, zowel van de aanstormende autostroom als van je eigen sportschoenen.

De eerste keer, ik moet veertien geweest zijn, probeerden we het met een paar vrienden op een afgelegen stuk snelweg. Ik weet niet meer exact waar het was, het was ook eerder een grote steenweg dan een snelweg, maar eigenlijk doet dat er niet zoveel toe. Wat ik me nog wel herinner, is dat we met vier waren: Kobe, een lange roodharige jongen, die ongelofelijk luide boeren kon laten en daarmee veel ontzag oogstte in onze vriendenkring. Jan, een knappe kerel die beweerde dat hij het al met vier meisjes gedaan had, tegelijkertijd nota bene, in een sportwagen van zijn vader. Tot het tegendeel bewezen was, durfden wij hiertegen niets in te brengen. Dat zijn vader verschillende sportwagens bezat waarin regelmatig mooi vrouwvolk vertoefde, berustte alvast op de waarheid. Verder was er Younes, een stille Marokkaan en de enige allochtoon die we kenden. En ik.

We lieten onze fietsen achter op een parallel lopende zandweg en klommen de berm op die de autoweg visueel isoleerde van de rest van het landschap. Het was warm, niet plakkerig zoals een tante die niet beseft dat veertienjarigen niet knuffelen, maar eerder aangenaam warm, als een zwembad op zondagavond. Hier en daar trokken vliegtuigen elkaar kruisende strepen in de lucht, als maakten ze zich klaar voor een partijtje oxo. We vleiden ons neer in het gras en bestudeerden het verkeer. Eén rijstrook in elke richting, met het gezapige af- en aanrijden van automobielen en vrachtwagens, die allerlei mensen en goederen van de ene plaats naar de andere brachten. Een zakenman naar zijn maîtresse. Een familie naar de Ardennen. Een lading vlees, ‘vers van bij ons’, naar de haven.

Vakantie is een raar beestje: tijdens de schooluren kan je er eindeloos naar verlangen, smachten, hunkeren; je bedenkt wat je allemaal zou kunnen doen als je nu maar niet op die harde schoolbanken moest zitten. Wanneer het dan eindelijk zover is, is de euforie aanvankelijk onmiskenbaar. Luid joelend verlaat je het gehate klaslokaal, ren je naar buiten, drop je je rugzak bij je ouders, fiets je zingend naar de kleiputten voor een verfrissende duik, blijf je tot diep in de nacht hangen bij vrienden met een waterpijp, zie je lokale helden spelen op een festival (onder voogdij van grote broer weliswaar), hoop je tevergeefs op een afspraakje met het meisje van je dromen (ze vertrekt meteen na het einde van de lessen voor zes weken naar Indonesië met haar ouders), kortom: eindelijk tijd om te leven. Maar vanaf augustus treedt er onvermijdelijk een soort van gewenning in, die een week of twee later overgaat in een staat die je nooit van je leven als verveling zou durven bestempelen, maar die daar mentaal en fysiek toch verdacht veel van weg heeft. En dan zit je met vier jongens in het gras naast een autosnelweg, tot er eentje voorstelt ‘als we nu eens…’

Eerst lach je hem wat weg. Je brengt allerlei praktische bezwaren onder de aandacht. De vangrail, het feit dat zijn fiets nog aan die zandweg ligt, dus dat hij ook terùg moet. Maar dan is het al te laat. Vanaf het moment dat het idee geopperd is, is het hopeloos te laat. Dus doe je het. Hij eerst, want het was zijn plan. En daarna kan er – op straffe van eeuwige uitstoting uit de vriendengroep – niemand achterblijven.

Vanzelfsprekend neem je de eerste keer niet te veel risico’s. Je wacht lang genoeg, tot er even geen verkeer is. Of maar een beetje verkeer, je bent tenslotte geen mietje. Maar het gaat om de kick en de adrenaline en het bluffen tegen je vrienden op, dus na een beetje aftasten probeer je je limieten te verleggen.

De volgende dag gingen we terug, maar zonder Jan. Die had huisarrest omdat hij een fles whisky ontvreemd had van zijn vader en deze zorgvuldig had geledigd in het gezelschap van Lien en Saar, twee klasgenotes waar iedereen van ons gezelschap in min of meer stiekeme mate wel een oogje op had. We maakten ons echter sterk dat het drietal te dronken moet zijn geweest om iets te presteren op seksueel gebied. Kobe en ik daagden elkaar uit en gingen om de beurt, terwijl Younes in het gras bleef liggen met buikpijn als nogal doorzichtig excuus. We lieten het maar zo: zonder Jan erbij kon Younes zich doorgaans ongestraft wat meer flauwheid permitteren.

De dag erna stelde Kobe voor om eens een ander stuk snelweg te proberen. Een bredere baan, met een smalle middenberm waar je eventueel kon pauzeren. We brachten er de hele namiddag door en hadden de tijd van ons leven. In dit pre-gsm-tijdperk kon je nog rustig het terrein verkennen, langere tijd op dezelfde plaats oefenen, de eigenaardigheden van het lokale verkeer observeren. Tegenwoordig krijg je maar één kans, hooguit twee: de politie wordt meteen gewaarschuwd via de mobiele telefoon. En jij moet op zoek naar een andere plek.

Eigenlijk is het pure fysica: je berekent het traject van de aankomende objecten, hun snelheid, het patroon waarmee ze over de rijvakken verspreid zijn, het ritme van de leemtes die ze laten. Op het moment dat je loopt is je berekening voorbij. Je kent de weg die elke aankomende auto zal afleggen, je weet waar er oneffenheden zijn in het asfalt, en hoe je je krachten moet doseren over de komende 25 meter. Je kijkt voor je en je loopt.

Het gekke is: je raakt eraan verslaafd. Ik denk niet dat ik in de tweede helft van die bewuste augustusmaand een dag heb overgeslagen. Soms met ons vieren, soms met een beperkt gezelschap, af en toe met een andere klasgenoot erbij, en soms zelfs alleen: elke dag zocht ik een plekje om te trainen. Observeren, rekenen, wachten, lopen. En ik wil hier niet over opscheppen, maar ik werd er goed in. Zo goed zelfs, dat mijn vrienden mij begonnen aan te spreken op mijn roekeloosheid. Die verdekte waarschuwingen incasseerde ik steevast stoer als complimenten.

Van ons gezelschap ben ik de enige die het nog doet. Er is ook veel veranderd sindsdien: we werden ouder, wijzer, gingen studeren, werken, kochten kinderen en kregen een huis, of – in het geval van Kobe – vertrokken op wereldreis en verdwenen spoorloos. Ook het verkeer is veranderd: drukker, agressiever, te massaal voor de verouderde infrastructuur. Maar toch glip ik nog elke week het huis uit, onder het mom van een wekelijkse reünie met een vriend die ik in feite al drie jaar niet meer gezien heb. Aangezien ik bij terugkomst niet naar vrouwenparfum ruik, koestert mijn vriendin geen wantrouwen.

En zo bevind ik me hier aan de rand van een relatief drukke snelweg, ergens in Wallonië. Mijn wagen staat op een stille landweg die doodloopt in een bosje dat aan de hoofdweg grenst, een nutteloze appendix van het weggennet. Ik observeer. Het wegdek ligt er goed bij, opvallend vlak voor een Waalse autostrade – wellicht pas vernieuwd. Halverwege zit een dunne lijn waar de asfalteringsmachines net niet goed op elkaar aansloten. Aan de overkant komt het struikgewas tot vlak bij de vangrail, maar niets om je zorgen over te maken. Ik richt mijn aandacht op het verkeer. Met een hobby als de mijne, leer je dat perfect te lezen. De middenvakrijders, de cruise controllers,  de rechtsinhalers, de ‘sportieve’ chauffeurs, de twijfelaars, de assertievelingen… ik haal ze er in één oogopslag uit, vaak zelfs enkel op basis van het automerk. Na een kwartiertje – je moet echt de tijd nemen om het ritme en het tempo van een autostrade te voelen, als in een discotheek met trancemuziek – stretch ik mijn benen, nek en schouders. Ik buig een paar keer door de knieën, check of mijn veters goed vastzitten en daal langzaam de berm af. Ik voel me een atleet die een wedstrijd gaat lopen – what the fuck, ik bén een atleet die een wedstrijd gaat lopen – wanneer ik over de vangrail klim. Vóór mij raast en pulseert het verkeer. Ik reken. Ik wacht.

Sommige dingen kan je voorzien, je kan je erop trainen. Andere dingen komen zoals ze komen. En soms heb je gewoon pech. Als er een edelhert beslist om op exact hetzelfde moment jouw traject in de andere richting af te leggen, heb je gewoon pech.