Trilogie

Het woord trilogie is afgeleid van het Griekse tria (drie) + logos (woord). Een trilogie is bijgevolg iets wat uit drie woorden bestaat. 

Ik ging dus maar eens een aantal trilogieën schrijven.

Mijn eerste trilogie was het nogal banale ‘Ik eet brood.’ Toen geraakte ik echter op dreef en kwam op de proppen met het sfeervolle ‘Het wordt donker.’ Mijn volgende magnum opus was het intrigerende ‘Uilen baden naakt.’ Na het abstracte ‘Augurken levenslust onverzettelijk’ besloot ik om mijn kortstondige doch productieve carrière als trilogist te beëindigen.

Hangmat

Is een wandtapijt een hangmat? Dat was de vraag waarover het comité zich zou buigen, die drie regenachtige weken in april. Zevenentwintig topwetenschappers van over de ganse wereld hadden verzamelen geblazen in het poepchique congrescentrum van Vancouver, om zich met zicht op de oceaan te verdiepen in de wondere wereld van het hangend textiel. Werkelijk alle relevante disciplines waren vertegenwoordigd, alsook een aantal irrelevante: er was een weefselspecialist uit Polen, een Mexicaanse taalfilosofe, een kunsthistoricus die lesgaf aan Harvard, een Zweedse bioloog die onderzoek deed op spechten, een zeekapitein en zelfs een fakir die ooit als eerste de Perzische Golf had overgestoken op een vliegend tapijt.

De eerste sessies verliepen goed, zij het nogal chaotisch, omdat de zeekapitein de onhebbelijke gewoonte had de andere deelnemers aan te spreken met ‘landrotten’ en de bioloog telkens intervenieerde met anekdotes over het paargedrag van de grote bonte specht. Het duurde echter niet lang voor er een eerste doorbraak geforceerd werd, die bij het avondmaal dan ook duchtig gevierd moest worden met uitstekende wijn, meegebracht door een Fransman met een achtergrond in de vasttapijtfabricage en een privéwijngaard.

De volgende ochtend verschenen de dames en heren van het beslissingscomité op het appèl met katers van diverse ernst en intensiteit. Een zwaartekrachtspecialist uit Genève rende meermaals de aula uit om te gaan braken, en de fakir viel enkele keren van zijn stoel doordat hij steeds indommelde. Het overleg ging stroef en was getekend door frustratie en miscommunicatie. Daarom besliste de voorzitter, een gezette dame die comparatieve semantiek doceerde aan de universiteit van Tokyo, om een lange middagpauze in te lassen.

Het panel splitste op in twee groepen, waarbij de ene groep een wandeling zou maken in de binnenstad, en de andere walvissen ging spotten in de baai van Vancouver. De wandelaars eindigden algauw op een terras — het weer was die dag uitzonderlijk goed — alwaar ze na een aftastende aarzeling opnieuw in de wijn vlogen. Van de walvisspotters werd niets meer vernomen. Men neemt aan dat ze weer naar huis gegaan zijn, of dat hun schip vergaan is na hevige twisten over de etymologie van het gezegde ’onder zeil gaan’.

Kwarklust en de papieren kabeljauw

Het was een ochtend in de grote vakantie. Kwarklust was druk bezig met het vouwen van papieren. Dat deed ze soms op grotevakantieochtenden, vooral wanneer het salade regende buiten. Dit was zo’n ochtend. De salade viel met overtuiging uit de grijsbewolkte lucht. Met overtuiging en met mosterd-honingdressing, merkte Kwarklust op.

Lichtjes lusteloos vouwde ze verder. ‘Hopelijk stopt het gauw met salade regenen,’ mompelde ze, ‘dat papiervouwen vind ik stomvervelend.’ Maar het bleef salade regenen, en Kwarklust bleef vouwen.

Plotsklaps had ze een papieren kabeljauw gevouwen. Hij was erg groot en stond vol met letters en woorden, want Kwarklust had vooral krantenpapier gebruikt.

Ze keek naar de vis en vroeg zich af hoe ze die zomaar gevouwen kon hebben. Maar ze deed wel vaker dingen waarover ze zich achteraf verbaasde. Het was alsof er twee Kwarklusten waren: één die wonderbaarlijke dingen deed en één die zich vervolgens kon vergapen aan het resultaat, zich afvragend hoe ze dat ooit klaargespeeld had.

Terwijl ze daarover zat na te denken, was de kabeljauw beginnen neuriën. Het duurde even voor Kwarklust door had dat het de kabeljauw was die dat atonale zoemen voortbracht – haar koelkast produceerde soms gelijkaardige geluiden.

‘Ho, wacht even,’ riep Kwarklust. Maar nog voor ze haar gedachtengang kon voortzetten, staakte de kabeljauw zijn geneurie en antwoordde: ‘Waarop?’

‘Hoezo, waarop?’

‘Waarop moet ik even wachten? En hoe lang duurt even?’ De vis keek haar ongeduldig aan.
‘Wacht even tot ik snap wat er hier gebeurd is,’ zei Kwarklust verward.

‘Het regent salade, jij hebt mij gevouwen uit papier, ik ben Tien kleine visjes aan het neuriën. Is er nog meer te snappen?’

‘Ja… nee… ja… Hoe komt die salade in de lucht terecht? Salade verdampt toch niet zoals water?’

‘Als je dat wil weten, had je beter een weerman gevouwen,’ sprak de vis. ‘Neurie je mee?’

‘Euh… ja, goed,’ gaf Kwarklust beteuterd toe.

En samen neurieden ze Tien kleine visjes. Kwarklust raakte de tel kwijt tussen zes kleine visjes en vijf kleine visjes, waardoor ze niet op hetzelfde moment klaar waren.

Toen het gedaan was met salade regenen, trokken ze hun gummilaarzen aan en gingen in de mosterd-honingdressing spelen.

Een nieuw begin!

Ik had besloten me nog maar eens naar het gangbare economische bestel te plooien, en nam dus zonder veel overtuiging de job aan die me voorgesteld werd door een gebrekkig computeralgoritme, dat in mijn digitale curriculum vitae enkele willekeurige vaardigheden gekoppeld had aan de vereisten om het betreffende werk succesvol uit te voeren. Niet àl te veel overdressed in mijn geruite hemd van de kringwinkel arriveerde ik op mijn eerste werkdag met een vertraging die op de feestjes die ik placht te frequenteren als chique wordt gecatalogeerd. Een juffrouw die opgeleid was om mensen op hun gemak te stellen ondanks de dreigende atmosfeer die het ganse gebouw waar het atelier gevestigd was doorwasemde, legde me uit waar ik een beker slappe koffie kon verkrijgen en hoeveel tijd ik daar dagelijks aan mocht besteden. Vervolgens toonde ze me de bureaus, die in theorie zo versteld konden worden dat ze de ergonomie van de gebruiker weliswaar nooit volledig volgden, doch het optreden van rug- en andere lichamelijke klachten kon uitstellen tot de laatste jaren van de carrière. Met de vlijtigheid die een nieuwe werknemer op de eerste dag van zijn nieuwe leven betaamt aan de dag te leggen, zette ik me op de mij toegewezen werkplek, sleep nauwgezet de met het logo van de firma bedrukte potloden, en knakte één voor één mijn vingerkootjes.

Het werd me een beetje licht in het hoofd. Stel je voor: vanaf heden was ik weer nuttig, een radertje in de grote machine van de globale economie. Ik zou mijn talenten aanwenden ter meerdere eer en glorie van de multinational waarbij ik een contract had getekend dat me financiële vrijheid beloofde – in de tijd die me restte na de arbeid, vanzelfsprekend. Ik oefende een beroep uit, en niet het minste: mijn kunsten zouden niet langer onaangewend blijven, niet meer beperkt zijn tot de droedels in de kantlijn van vergadernotulen. Met trots kon ik me nu magneetstriptekenaar noemen!

Ik nipte van mijn slappe koffie, keek glimmend van trots om me heen naar mijn kersverse collega’s, en voelde een innige verbinding met het universum.

King size

‘Mijn excuses, Hofleverancier,’ sprak de koning, terwijl hij met moeite een lepel erwtenpuree doorslikte, ‘dit is erg lekker, maar werkelijk veel te veel.’ Zijne Majesteit had nauwelijks een half bord van de groene brij naar binnen gewerkt.

‘Het probleem zit hem in de woorden “king size”. Waarom moet dat eigenlijk altijd de grootste portie zijn? Alsof een koning geen matiging kent! Alsof een koning kwantiteit hoger acht dan kwaliteit!’

‘De frigo’s van het paleis – gelukkig groot genoeg – staan vol met etenswaren die over datum zijn, omdat wij er zelden in slagen meer dan een fractie ervan te verorberen voor ze slecht worden. Mijn king size vaatwasser draait zelden, omdat hij nooit vol zit, waardoor de borden er vuil uit komen en de lakeien ze toch nog eens moeten afwassen.’

‘En neem dan onze kleren, zogenaamd “king size”. Ze moeten allemaal aangepast worden! Ondanks ons beginnend buikje zouden ze anders als gordijnen om onze koninklijke ledematen hangen. Dat is niet “king size”, dat is “king oversize”.’

‘Het king size bad is leuk om in te dobberen, maar het duurt twee dagen om het te laten vollopen. En die king size badeenden jagen ons de stuipen op het lijf, het lijken wel pelikanen. Het king size scheermes waarmee onze barbier ons iedere ochtend scheert, bezorgt ons nachtmerries. Het zou niet misstaan als snoeimes in de koninklijke serres.’

‘De gouden king size pen waarmee wij schrijven baarde onze kinesist kopzorgen. Gelukkig schakelde ik recent over naar een king size computer met king size klavier… waarop ik naar elke letter een half uur moet zoeken.’

‘Iets waar wij wel over te spreken zijn, is dat king size bed. Heerlijk om in te stoeien met de king size koningin – gelukkig houden wij van stevig in het vlees zittende vrouwen. Maar tussen ons gezegd en gezwegen, Hofleverancier, die king size condooms zijn toch ook geen succes. Waarom denkt u dat wij anders zoveel kinderen hebben?’

Spaarknop, deel 1

Je wil je gezicht wassen, dus je begeeft je naar de badkamer. De kraan heeft een spaarknop. Je drukt eerst eens op de knop om te testen hoe die werkt. Geschrokken van het enorme debiet van het water, dat met een verrassende kracht de gootsteen in klatert, deins je terug. Je vloekt, en foeterend veeg je met een handdoek over het water dat op je broek gespat is. Je steekt je handen onder de straal om wat water op te vangen, met de bedoeling dat in je gezicht te plenzen. Net op dat moment houdt de straal op. Ondertussen is er al vijf liter water gevloeid waar je niets mee gedaan hebt. Je drukt opnieuw op de knop. Je vangt wat water op in je handen, en plenst dat in je gezicht. Eén handvol is wat weinig, dus je brengt je handen weer naar de straal, die op het cruciale moment stilvalt (maar wel bleef lopen tijdens het verdelen van het water over je gezicht). Deze beweging herhaalt zich enkele malen, waarbij de tijd waarop de spaarknop ingesteld is, precies onvoldoende is om tweemaal water te nemen. Het grootste deel van het water gaat verloren.

Struik

De struik heeft doorheen de geschiedenis een slechte naam verworven. In de middeleeuwen was quasi elke struik verdacht, wegens de potentiële aanwezigheid van rovers erin, erachter of eronder. Dit berust op een spijtige verwarring, die het struikdom heel wat schade berokkend heeft. De struik heeft immers geenszins persoonlijk schuld aan zijn geschiktheid als uitvalsbasis voor schorremorrie. Het is alsof je alle dozen veracht omdat sommige ervan een onaangenaam ruikend paar sokken bevatten.

Toch ben ik op mijn hoede wanneer ik de struik zie. Op het eerste gezicht lijkt het een struik als alle andere. Een dorre struik weliswaar, maar verder onopvallend in haar struikigheid. Als ik goed kijk, neem ik zelfs een vogeltje waar in één van haar takken, dat geschrokken opvliegt bij het klikken van mijn derailleur.

Maar er is iets aan de hand met deze struik. Ze wiebelt. Ze wiebelt meer dan ze zou moeten wiebelen bij de huidige windintensiteit.

En dan gebeurt het. Wanneer ik de struik tot op een vijftiental meters genaderd ben, maakt ze zich plots los van de grond, en begint te rollen. Het gebeurt haast geruisloos, geniepig, zonder losscheurende wortels, kluiten opspattende aarde of andere indrukwekkende special effects – met een argeloos gebaar, alsof ze wil zeggen: ‘Lang genoeg hier gestaan, ik ben er weer vandoor, aju!’

Langzaam rolt voorwerp a (struik) de rijbaan op, dwars aan de rijrichting. Voorwerp b (man op fiets) begeeft zich aan een snelheid van 27,4 km/u over betreffende rijbaan. Een zeer beperkte kennis van de fysica volstaat om de trajecten van beide objecten te voorspellen. Een iets uitgebreidere kennis van de fysica leert dat de remafstand van voorwerp b te groot is om tijdig tot stilstand te komen. Voorwerp a beschikt bij gebrek aan remtechnologie hoegenaamd niet over een remafstand. Voorwerp b heeft de mogelijkheid om van zijn traject af te wijken middels een weloverwogen en gecontroleerde stuurbeweging – als en slechts als de mentale koelbloedigheid van voorwerp b dit toelaat in de gegeven omstandigheden. Quod non.

Uit het gegevene kunnen wij besluiten dat voorwerp a en voorwerp b met elkaar in aanraking komen op punt c, alwaar voorwerp b ernstig verstrikt raakt in voorwerp a. Dit gaat gepaard met luid gekraak aan de kant van voorwerp a, en hartsgrondig vloeken vanwege voorwerp b.

De torenklok van Fuente Librilla

Het kerkje van Fuente Librilla heeft een bijzondere klok. Het onooglijke dorp in Zuid-Spanje benadert de tijd op een radicaal alternatieve manier. De minutenwijzer telt er de seconden, en gaat dus per minuut eenmaal rond. De uurwijzer telt de minuten, waardoor haar omwenteling twaalf minuten duurt. Af en toe, op schijnbaar willekeurige momenten, belt de klok enkele keren. De inwoners van Fuente Librilla weten dan wel hoe laat het is.

Theorie versus praktijk

Het nationaal park van de Sierra Espuña is mooi en bergachtig. Ik zou er graag mijn tent opzetten, om te slapen tussen de zeldzame flora en fauna. Helaas is elk geschikt plekje keurig voorzien van een bordje met de niet mis te verstane boodschap ‘no campari’. En ik weiger te kamperen op een plek waar ik geen alcohol kan krijgen.

Aan de rand van de bergketen bots ik op een boswachtershuis. Ik informeer naar de overnachtingsmogelijkheden in de buurt. Er is een camping, maar daarvoor moet je twee weken op voorhand online een vergunning kopen, én ook nog eens reserveren. Achter het boswachtershuis zijn er vakantiehuisjes, maar die worden vannacht betrokken door een troep studenten. De boswachter is echter een sympathieke kerel. Hij biedt me een plekje aan in zijn tuin. En in zijn keuken. En hij offreert me wijn bij het avondmaal.

De studenten arriveren in een bus. Ze hebben een practicum ‘tent opzetten’. Zo zijn ze voorbereid op eventuele situaties in hun beroepsleven waarin ze een tent moeten opzetten. Vannacht slapen ze echter veilig in hutjes.

Semmerzake

IMG_4758

Ik fiets over heuvels. Heuvels die door laaglandbewoners en snoeverige coureurs ooit het epitheton ‘berg’ toebedeeld kregen, maar waarvan iemand die wat van bergen weet me onlangs bezwoer dat ze nauwelijks de naam ‘verhoging in het landschap’ waard zijn. Op mijn dij zit een bij, een lifter uit het dal die gehoord had dat de bloemen fleuriger zijn aan de andere kant van de berg. Heuvel. Verhoging.

De bij fietst mee. Eén kilometer, twee, tien. Ze heeft niet gevraagd waar ik heen ga. Zou het bijen iets uitmaken waar ze zijn of waar ze heengaan? Zouden ze de lichte paniek kennen die zich van je meester maakt als je bij nachte in een vreemde stad plots beseft dat je de verkeerde bus hebt genomen? Het was toch nummer 42? Of was het 24? En in welke richting? En waarom is het hier zo donker buiten?

De heuvels maken me dorstig en ik stop bij een bankje voor een verfrissende teug van wat het ook weer was dat ik in mijn drinkbus had gedaan. De bij vliegt op. In haar zacht gezoem hoor ik helder: ‘Kak. Hoe kom ik van hieruit ooit terug in Semmerzake?’