Samengesteld

Sommige mensen die mij voor de eerste keer ontmoeten, denken dat ik Pieter-Jan heet. Het is altijd hetzelfde type mensen dat dit denkt, namelijk mensen die mijn naam te weten komen door op mijn identiteitskaart te kijken. Daarop staat mijn volledige naam: Pieter Jan Helena Van den Brande. Maar die Jan verwijst natuurlijk naar mijn peter, mijn grootvader zaliger. Die heette Arthur. De Jan is in mijn geval dus niet het tweede deel van een samengestelde naam. Nochtans ben ik naar het schijnt vernoemd naar Pieter-Paul Rubens. Een beetje jammer dat die -Paul er ergens tijdens het naamgevingsproces afgevallen is. Ik had ook best Pieter-Paul willen heten. Ik ken iemand die Peter-Paul heet, dat is bijna hetzelfde als Pieter-Paul, en dat lijkt me een erg gelukkige mens. Ik ken ook verschillende Pieter-Jannen (of zijn het Pieter-Jans? Of Pieters-Jan?) en ook zij lijken me minstens even tevreden als hun medemensen zonder samengestelde naam.

Er zijn veel voordelen aan samengestelde namen, en het is dan ook jammer dat ze niet meer zo in zwang zijn. Er waren tijden waarin mensen hun kinderen zonder verpinken Johan-Christian of Wilhelm-Friedemann noemden. Of zelfs Carl-Philipp-Emanuel of Johan-Christoph-Friedrich. In mijn kennissenkring loopt er nog wel een Jan-Sebastiaan rond en een Mart-Joren, zelfs een Dai-Linh, maar verder heten de meeste mensen gewoon Sara of Matthias.

Nochtans kent het palet van de samengestelde namen een grote rijkdom. Eigenlijk kan je zogoed als willekeurig namen met elkaar combineren. Voorbeelden als Jean-Marie bewijzen zelfs dat er geen enkel bezwaar is tegen het samenbrengen van een jongens- en een meisjesnaam – een belangrijke plus in tijden van genderfluïditeit.

Toch hebben naamgevers tot op heden heel wat kansen laten liggen, zeker als het gaat over samengestelde meisjesnamen. Er is veel geëxperimenteerd met Marie-samenstellingen (Marie-Jeanne, Marie-Elisabeth, Marie-Louise, enzovoort), maar waarom zou je je daartoe beperken? Ouders zouden gerust wat creatiever mogen omspringen met de naamgeving van hun dochters. An- en Anna- samenstellingen zijn bijvoorbeeld erg dankbaar: Anna-Lize, Anna-Tommy, An-Davy, An-Archie, … Maar ik zou ook graag eens over maatschappelijke thema’s babbelen met een vrouw die Cindy-Kaat heet. Of mijn boekhouding toevertrouwen aan een Fien-Nancy. Of een bord plastic soep eten met Polly-Esther en Polly-Etty-Leen. Of door een boomgaard wandelen met Mira-Belle.

Wie nu denkt: ‘maar allez Pieter, dat is toch wreed om uw kind zo te noemen, ouders doen zo’n dingen toch niet,’ nodig ik uit om eens te googelen op ‘schaamnaam/faamnaam Coen en Sander’. Die twee Nederlandse DJ’s gaan elk jaar op zoek naar de meest hilarische namen, en bewijzen daarmee dat ouders ronduit meedogenloos kunnen zijn voor hun kinderen. Daar kan ‘A boy named Sue’ nog een puntje aan zuigen.

Aloysius Prickelbaert eet roentgensoep

roentgen

Aloysius Prickelbaert eet roentgensoep. Lange slierten druipen langs zijn mondhoeken in zijn baard en kleuren die tijdelijk doorzichtig. De soep is erg warm, maar dat deert Prieckelbaert niet: hij slurpt, smakt, proeft en geniet genoeglijk.

In koddige, peristaltische schokjes zakt een slok roentgensoep door de slokdarm. Daar waar het vocht passeert en blijft kleven, zie je stukjes van Prickelbaerts binnenkant: de huig, de amandelen, het strottenhoofd. Hij gorgelt – zijn stembanden lichten fel op! De soep daalt langs zijn keel zijn borst in en mengt zich met ouder voedsel in zijn maag. Het voedsel wordt doorzichtig.

Waarom eet Aloysius Prickelbaert roentgensoep? Wil hij gans doorzichtig worden? Onzichtbaar voor de wereld? Om niet meer de honende blikken van de mensheid te moeten ondergaan? Om stiekem onder damesrokken te kunnen gluren? Om zijn eetlust te stillen? Niemand die het weet. Maar hij eet, en lost zichzelf op, als een probleem.

Richard Vooghelenpick

Husqvarna_mowersRichard Vooghelenpick was er nu wel heel zeker van: zijn grasmaaier was een reïncarnatie van Adolf Hitler.

Hoewel de machine nu al enkele weken onaangeroerd in het tuinschuurtje stond, werd Richard sedert enige tijd geteisterd door duistere dromen die hij moeilijk kon duiden. Hij droomde bijvoorbeeld hoe hij, bulderend van het lachen, zijn konijn Flappie VI in de oven stak en de gaskraan open draaide. Of hoe hij zonder pardon de tuin van zijn buurman annexeerde, waarop hij de arme heer Nößkötl beval zijn eigen bakkebaarden af te scheren en ze met peper en zout te verorberen. De respectabele man gehoorzaamde gedwee, de doodsangst in zijn ogen. Telkens wanneer Richard Vooghelenpick uit zo’n droom ontwaakte, rook hij de geur van versgemaaid gras en tweetaktolie. Dit kon geen toeval zijn, begreep hij.

En dus stond hij nu besluiteloos voor de gammele deur van het schuurtje, waarachter de boosaardige grasmaaier zich voorlopig koest hield. Wat kon hij doen? Het toestel vernietigen? Maar hoe moest hij dan voortaan zijn gras maaien? En zou de geest van Hitler dan niet gewoon over springen naar een spade of naar de oude kruiwagen?

‘Richard, ’t eten is gereed!’

Dat was Trampoline, zijn vrouw. Richard haalde zijn schouders op, stelde het probleem Hitler uit tot na de maaltijd, en begaf zich naar binnen, alwaar hij spruiten met worst en puimsteen nuttigde. Dat vond hij zo lekker, dat hij na het eten prompt in slaap viel op de bank.

Die nacht brak het kleine hangslot op de deur van Richard Vooghelenpicks tuinschuurtje in tientallen stukken. Een gedisciplineerd leger van tuingereedschap verspreidde zich bliksemsnel over de rustige buitenwijk, en bezette op gewelddadige wijze grote delen van Europa voor verschillende jaren.

Kaukel

blur brass chrome close up

‘Hej schrale!’ De kweerman roept me toe met rood aangelopen gelaat. Iedereen van wie hij de naam niet kent, heet voor hem ‘schrale’, waarbij hij de ‘s’ uitspreekt als ‘sj’. Sjchrale. ‘Plier jij die kaukel maar even!’

‘Komt in orde, baas!’ Zo zelfverzekerd als ik kan opbrengen, wandel ik naar de bank met werktuigen en neem er willekeurig één vast. Het is een zware, gietijzeren tang, voorzien van diverse uitsteeksels. De symmetrische vorm doet me vaag denken aan een schematische prent in mijn biologieboek. De baarmoeder.

‘Plieren, had ik gezegd, schrale, niet glanken,’ klinkt het vanuit een andere hoek van de werkplaats.

‘Ah, oei, ik had me vergist,’ antwoord ik met een verontschuldigend lachje, terwijl ik vlug het tuig dat ik vast had – blijkbaar een glank of een glanker – terugleg. Ik buig me opnieuw over de alaambak en bestudeer dit keer wat aandachtiger het voor handen zijnde materiaal. Mijn ogen dwalen over lange, bochtige sleutels, hoekige schroevendraaiers met wonderlijk gevormde koppen, complexe toestellen met veertjes, radertjes en hendels, en een minuscuul zilverkleurig hamertje met drie haaks op elkaar staande koppen. Waarmee zou ik die kaukel best plieren? Met een hoopvolle blik wend ik me tot een collega, maar zij is naarstig in de weer met een document dat dringend geëpibreerd moet worden, vermoedelijk bestemd voor Vanuatu of één van de Sandwicheilanden, waar de kaukels geknareld worden met een laagje vok.

Ik zucht, grijp met een bang hart het hamertje en begeef me naar de kweerman, die een ingewikkelde bewerking uitvoert met iets wat lijkt op een ouderwetse onderbroek. Bij nader inzien ís het een ouderwetse onderbroek.

‘Ha, ben je daar eindelijk,’ blaft hij, ‘hier, begin maar te plieren.’

Ik hef met bevende hand het hamertje op, en nog voor ik het kan laten neerkomen op wat ik vurig hoop dat een kaukel is, schreeuwt de kweerman: ‘Waardeloos stuk vreten!’

Hij grist me het werktuig uit de hand en begeleidt me hardhandig naar een kamertje dat aan de werkplaats grenst, en waar ik me de rest van de voormiddag ledig houd met het afwassen van koffiekoppen. Telkens wanneer de kweerman me in het oog krijgt, mompelt hij iets in de trant van ‘beunhaas’ of ‘incompetente amateur’.

En ik kan hem moeilijk ongelijk geven. Want hoewel ik er na de middag in slaag nog een half dozijn wilpen te valgeiren, en zelfs niet onaardig een prok baluin, heb ik, wanneer het aankomt op kaukels plieren, bitter weinig meerwaarde te bieden.

Baldarics weemoed

Baldaric de Visigoot tuurde over de zee. Zijn gezicht was getekend met de ruwe etsnaald van een leven op het slagveld. Met zijn zevenentwintig winters was hij de oudste van de horde, die zich razendsnel en plunderend een weg had gebaand door het continent. Mannen afslachten, vrouwen verkrachten, schuren leegroven en dorpen platbranden; in feite had hij nooit een ander bestaan gekend. En ook nu dronk hij buitgemaakte wijn uit de schedel van een Frankische hoofdman, terwijl de zon uitbundig stralend stierf in de oceaan.

Was het de ongegeneerde kleurenpracht van vermiljoen en karmozijn? Was het de loensende blik van de oude vrouw die hij eerder die dag had opgeknoopt, die hem deed denken aan zijn moeder, een half leven geleden achtergelaten in een onooglijk steppedorp? Of lag het toch aan de wijn, die weliswaar zoet was als honing, maar onmiskenbaar een weeë afdronk droeg? In elk geval werd Baldaric al starend overweldigd door een melancholie die hem tot dan toe vreemd was. En blikkend over de grote waterplas voor zijn voeten, vroeg hij zich af of dit wel het juiste leven was voor hem. Toegegeven, hij was een succesvol krijgsman, gevreesd door de vijand en geëerd door zijn strijdmakkers. Maar zou hij niet gelukkiger geweest zijn als hoefsmid, ijzer smedend bij het hete vuur, en op zachte toon de paarden toesprekend, toe maar beestje, rustig, ik doe je geen pijn? Of had hij niet meer vreugde kunnen scheppen in het rustige en mystieke bestaan van genezer, kruiden plukkend en oude spreuken prevelend om zijn stamgenoten te beschermen tegen boze geesten en ander onheil? Baldaric zuchtte. Het waren carrières die, alvast op het vlak van work-life-balance, een pak beter scoorden dan die van zwervende soldaat.

Een opwellende traan verbijtend voor die gemiste levens, ledigde de krijger zijn wijnkroes. Langzaam, zich bewust van elke beweging, trok hij zijn zware strijdkledij uit. De maliën rinkelden, de ruwe stoffen gleden ritselend langs zijn gespierde en gehavende lichaam. Zijn zwaard plantte hij in het goudkleurige zand. De zon was intussen volledig verzwolgen, en liet slechts een zachte roze gloed na op de spaarzame wolken. Sterren en planeten verschenen schuchter aan de hemel. Baldaric ademde diep in, liet de zoute zomerlucht zijn longen vullen. Vastberaden stapte hij het water in tot de deining zijn knieën overspoelde, hurkte zich, en deed in stilte zijn gevoeg.

Hij voelde zich op slag een stuk beter.

UIL.KEVER.VIERDEWAND

Dit verhaal is een gastbijdrage van Alexander Verbist, een gelijkgestemde schrijver waarmee ik een verhaal uitwisselde. We kwamen overeen dat beide kortverhalen het woord ‘karbonkel’ moesten bevatten. Verder gunden we elkaar totale vrijheid.
Mijn hersenspinsel vind je tussen Alexanders andere pennenvruchten op zijn blog.

Op een zoele zomeravond zitten Uil en Kever naast elkaar op de tak van een boom. De tak hangt enkele bomen af van het huis van Uil, in het bos waar Uil en Kever met heel wat andere dieren samenwonen.

Uil en Kever bespreken de gebeurtenissen van die dag. Dat doen ze wel vaker op die tak. En vaak mondt dat uit in discussies over Zware Thema’s. Over filosofie bijvoorbeeld. Heel Zwaar.

Kever houdt net een betoog over de ecologische impact van zijn vegetarische eetkeuzes, wanneer hij in het midden van een zin plots stopt met praten en voor zich uit begint te staren.

‘Kever…’, begint Uil.

‘Karbonkel’, zegt Kever.

‘Karbonkel?’

Kever draait zijn kop naar Uil.

‘Jep. Karbonkel.’

‘Waarom zeg je dat?’

Kever schudt zijn kop. ‘Je gaat me voor gek verklaren.’

‘Tuurlijk niet. Kom op, zeg het.’

‘Eerlijk: ik heb geen idee. Het kwam gewoon in me op. Het lag op de punt van mijn tong en het moest eruit.’

‘Je voelde dus uit het niets de neiging om er een willekeurig woord uit te flappen?’

‘Ja.’

‘Merkwaardig.’

Uil en Kever blijven even stil. Kever schraapt zijn keel: ‘Uil, vraag jij je soms wel eens af of dit allemaal wel echt is?’

‘Wat bedoel je?’

‘Wel, jij leest veel romans en verhalen, toch? Wat als wij nu eens de personages zijn in iemands verhaal? Wat als al onze dromen, ideeën en handelingen door iemand zijn neergepend, puur voor het leesgenot van anderen?’

Uil blijft even stil.

‘Dus jij denkt dat er nu iemand meeleest met ons gesprek, dat iemand dit woord, het woord ‘woord’ leest, en misschien wel denkt: “hé, hebben die fictieve diertjes het nu over mij?”. Dat bedoel je?’

‘Exact.’

Uil schikt haar veren. ‘Goh, ik kan niet zeggen dat ik dat nooit overwogen heb, nee. Maar zoveel ben ik er niet mee bezig. Waarom vraag je het?’

‘Gewoon, ik dacht eraan door dat karbonkel-woord.’

Beide dieren doen er het zwijgen toe. Tijdens een vijftal minuten is zowel Uil als Kever in mentaal worstelwerk verzonken. Tot Uil uiteindelijk het woord herneemt.

‘Kever, maak je er vooral niet te veel zorgen om. Misschien is dit gesprek wel fictief. Maar who cares? Goed eten, lang mediteren, uitbundig feesten of heerlijk knuffelen: voor ons blijven die ervaringen hetzelfde. Ook al zijn het de brainfarts van een schrijvende nitwit.’

Kever knikt langzaam. Uil gaat verder.

‘Daarnaast, waar zou dat verhaal over gaan? Jou of mij of iemand anders in dit bos volgen en onze gesprekken opschrijven? Wie zit daar nu op te wachten? Saaie, absurde en pseudofilosofische gedrochten zouden dat zijn.’ Uil knipoogt.

Kever glimlacht. ‘Helemaal gelijk, Uil.’ Opnieuw valt een stilte.

‘Uil?’

‘Ja, Kever?’

‘Wat betekent “karbonkel”?’

‘Een groep steenpuisten.’

‘Oh.’

EINDE

De molenaar van de Noordzee

Ziet ge die windmolen daar? Ja, daar in de verte, een dunne witte stengel met drie ranke wieken die gemoedelijk hun toertjes malen in de zuidwesterbries. Pas op, hier op het strand voelt ge slechts een aangenaam windje, dat de zwemmers verkoeling biedt en kinderen uitnodigt hun vliegers op te laten. Wat verder in zee ervaren de surfers al wat meer van de kracht van het weer; ze hangen aan hun zeilen als gibbons aan een liaan. Maar als ge daar op de molen staat, boven waar de wieken elkaar ontmoeten, wordt ge pas werkelijk gewaar hoe genadeloos machtig de natuur is. Uw anorak geselt flapperend uw flanken en alles briest en fladdert en scheurt uw trommelvliezen aan flarden. Zo hard waait het daarboven, dat uw adem benomen wordt, en ge zijt geneigd ongecontroleerd te schreeuwen, louter om u ervan te vergewissen dat ge nog bestaat, want het lijkt alsof de wind u verspreidt als waart ge zeeschuim dat opspat tegen de boeg van een tanker. Uw ogen opent ge slechts op de meest noodzakelijke momenten, want het onophoudelijke waaien trekt de tranen uit uw oogkassen; niet prikkelend, quasi emotioneel zoals een gesneden ajuin dat vermag, maar bot, agressief en koel als een chirurg uit het Derde Rijk. Nee werkelijk, als ge ooit met die wind hebt kennis gemaakt, zijt ge content dat die molen zo diep in de Thorntonbank verankerd zit.

Hoogtevrees? Daar hebt ge gek genoeg niet meteen last van daarboven. In de nok van zo’n molen zit ge honderd meter boven de zee, ongeveer even hoog als in de toren van een kathedraal. Maar als ge vanop een windmolen naar beneden kijkt, ziet ge onder u niks dan zee. Hoogte wordt dan iets heel abstracts; het groengrijze watervlak ligt tegelijk kilometers onder u en op armlengte. De golven klotsen woest tegen de molenvoet, maar van daarboven zouden het evengoed kabbelende baren in een badkuip kunnen zijn.

Hoe ik dat allemaal weet? Gij kent mij uiteraard niet; gij zijt niet van hier, dat hoor ik aan de manier waarop ge klapt. Laat mij mezelf even voorstellen: Robert Zilverteen, aangenaam. Ik ben de molenaar van de Noordzee. Dat wist ge niet, he? Dat ook die moderne molens, met hun fijne stelen en soepele wieken een molenaar behoeven? Natuurlijk, het proces is wat complexer, de molenstenen zijn vervangen door generatoren, het eindproduct is geen meel meer doch elektriciteit. Maar al bij al is het vak van molenaar over de laatste vijftig jaar niet méér veranderd dan dat van pakweg leraar, dokter of schoonmaakster.

Als u dat interesseert, zal ik u vertellen hoe zo’n molen werkt. Kent ge iets van elektriciteit? Nee? Goed zo, ik bedoel, geen probleem, ik leg het u uit. Hoewel we spreken van ‘stroom’, is elektriciteit niet zozeer vergelijkbaar met een vloeistof die door een koperen draad vloeit, maar eerder als een boodschap die doorgefluisterd wordt van buur tot buur – een spel dat ge als kind vast wel eens gespeeld hebt. Wat ik als molenaar doe, is eigenlijk niets meer dan die boodschappen formuleren. Boodschappen die er tientallen kilometers verderop voor zorgen dat gij uw afwas kunt doen of een tweet kunt lanceren. Wat voor boodschappen dat zijn? Daarvoor moet ge maar eens aandachtig luisteren naar het tevreden gezoem van een koelkast of het rustige tikken van een elektrisch fornuis.

Ge begrijpt dat dit een taak is die enige creativiteit vergt, maar dat is slechts het begin. De job van molenaar kent hetere vuren. De boodschappen waarvan ik sprak, zijn samengesteld uit elektronen, piepkleine bolletjes – nu ja, bolletjes, het zijn eerder dodecaëders, maar dat zou ons te ver leiden – die zich voortbewegen in zwermen, en eigenaardig genoeg ruiken naar harde Italiaanse kaas. Ge denkt misschien dat die windmolens in de zee staan omdat het daar zo bijzonder hard kan waaien, maar dat is maar ten dele zo. De zee is namelijk ook een geweldige plek om elektronen te verzamelen. Dat verklaart tevens waarom er zoveel meeuwen leven: die beesten houden van het gekietel van elektronen onder hun pluimen (vandaar het orgastische ge-klie-klie-klie dat ze tijdens hun vlucht uitstoten). Wat zegt ge? Op vuilnisbelten zitten ook veel meeuwen? Natuurlijk, vooral daar waar veel elektronisch afval gestort wordt. Elektronen blijven nog lang in de toestellen zitten en lekken er langzaam uit weg. Onweerstaanbaar voor een meeuw.

Maar ge leidt mij af van mijn verhaal. Die elektronen halen we uit de zilte zeelucht met een techniek die wij molenaars ‘smuigen’ noemen, en die behalve handigheid ook een zeker gezag vereist, alsmede een flinke dosis kansberekening. Wanneer de wind de molenwieken doet draaien, zet ze een mechanisme in werking dat elektronen groepeert rond zogenaamde plavoenen, opgerolde koperdraden die gerangschikt zijn in visgraatmotief. Het is van cruciaal belang dat de rangschikking gebeurt volgens het graatpatroon van een lokaal voorkomende vissoort, anders werkt het niet – nog een reden om windmolens in de zee te planten. Wij gebruiken meestal schol of kleine pieterman als voorbeeldvis.

Eens de elektronen maximaal rond een plavoen geconcentreerd zijn, begint het eigenlijke smuigen. De molenaar vangt zo veel mogelijk elektronen in een speciaal daarvoor geweven net, het geschei, en brengt ze voorzichtig over naar de kraweel, een soort sorteerbak. Aangezien het zeer moeilijk in te schatten is wanneer het moment daar is om te smuigen, gebeurt het dat ge halsoverkop een voorwerp over de plavoenen moet werpen om te vermijden dat de elektronen opnieuw uitzwermen. Dat voorwerp is meestal het typische molenaarshoofddeksel – vandaar de uitdrukking ‘hij gooit er met zijn klak naar’. Dat euvel overkomt vooral onervaren of timide collega’s. Een elektronenwolk is immers – mits streng toegesproken – vrij eenvoudig in de hand te houden. Bovendien zijn de gedweeë elektronen nadien handzamer te coderen tot de boodschappen waarover ik het al eerder had.

Ik zie u argwanend fronsen… gelooft ge niet wat ik zojuist kom te vertellen? Houdt ge mij voor een fantast? Hum… ik zal niet ontkennen dat het allemaal nogal ongewoon klinkt. Maar doe ermee wat ge wilt. Hoe gij de wereld wenst te zien, kiest ge zelf. Geniet nog van uw strandwandeling, en wel thuis.