King size

‘Mijn excuses, Hofleverancier,’ sprak de koning, terwijl hij met moeite een lepel erwtenpuree doorslikte, ‘dit is erg lekker, maar werkelijk veel te veel.’ Zijne Majesteit had nauwelijks een half bord van de groene brij naar binnen gewerkt.

‘Het probleem zit hem in de woorden “king size”. Waarom moet dat eigenlijk altijd de grootste portie zijn? Alsof een koning geen matiging kent! Alsof een koning kwantiteit hoger acht dan kwaliteit!’

‘De frigo’s van het paleis – gelukkig groot genoeg – staan vol met etenswaren die over datum zijn, omdat wij er zelden in slagen meer dan een fractie ervan te verorberen voor ze slecht worden. Mijn king size vaatwasser draait zelden, omdat hij nooit vol zit, waardoor de borden er vuil uit komen en de lakeien ze toch nog eens moeten afwassen.’

‘En neem dan onze kleren, zogenaamd “king size”. Ze moeten allemaal aangepast worden! Ondanks ons beginnend buikje zouden ze anders als gordijnen om onze koninklijke ledematen hangen. Dat is niet “king size”, dat is “king oversize”.’

‘Het king size bad is leuk om in te dobberen, maar het duurt twee dagen om het te laten vollopen. En die king size badeenden jagen ons de stuipen op het lijf, het lijken wel pelikanen. Het king size scheermes waarmee onze barbier ons iedere ochtend scheert, bezorgt ons nachtmerries. Het zou niet misstaan als snoeimes in de koninklijke serres.’

‘De gouden king size pen waarmee wij schrijven baarde onze kinesist kopzorgen. Gelukkig schakelde ik recent over naar een king size computer met king size klavier… waarop ik naar elke letter een half uur moet zoeken.’

‘Iets waar wij wel over te spreken zijn, is dat king size bed. Heerlijk om in te stoeien met de king size koningin – gelukkig houden wij van stevig in het vlees zittende vrouwen. Maar tussen ons gezegd en gezwegen, Hofleverancier, die king size condooms zijn toch ook geen succes. Waarom denkt u dat wij anders zoveel kinderen hebben?’

Spaarknop, deel 1

Je wil je gezicht wassen, dus je begeeft je naar de badkamer. De kraan heeft een spaarknop. Je drukt eerst eens op de knop om te testen hoe die werkt. Geschrokken van het enorme debiet van het water, dat met een verrassende kracht de gootsteen in klatert, deins je terug. Je vloekt, en foeterend veeg je met een handdoek over het water dat op je broek gespat is. Je steekt je handen onder de straal om wat water op te vangen, met de bedoeling dat in je gezicht te plenzen. Net op dat moment houdt de straal op. Ondertussen is er al vijf liter water gevloeid waar je niets mee gedaan hebt. Je drukt opnieuw op de knop. Je vangt wat water op in je handen, en plenst dat in je gezicht. Eén handvol is wat weinig, dus je brengt je handen weer naar de straal, die op het cruciale moment stilvalt (maar wel bleef lopen tijdens het verdelen van het water over je gezicht). Deze beweging herhaalt zich enkele malen, waarbij de tijd waarop de spaarknop ingesteld is, precies onvoldoende is om tweemaal water te nemen. Het grootste deel van het water gaat verloren.

Struik

De struik heeft doorheen de geschiedenis een slechte naam verworven. In de middeleeuwen was quasi elke struik verdacht, wegens de potentiële aanwezigheid van rovers erin, erachter of eronder. Dit berust op een spijtige verwarring, die het struikdom heel wat schade berokkend heeft. De struik heeft immers geenszins persoonlijk schuld aan zijn geschiktheid als uitvalsbasis voor schorremorrie. Het is alsof je alle dozen veracht omdat sommige ervan een onaangenaam ruikend paar sokken bevatten.

Toch ben ik op mijn hoede wanneer ik de struik zie. Op het eerste gezicht lijkt het een struik als alle andere. Een dorre struik weliswaar, maar verder onopvallend in haar struikigheid. Als ik goed kijk, neem ik zelfs een vogeltje waar in één van haar takken, dat geschrokken opvliegt bij het klikken van mijn derailleur.

Maar er is iets aan de hand met deze struik. Ze wiebelt. Ze wiebelt meer dan ze zou moeten wiebelen bij de huidige windintensiteit.

En dan gebeurt het. Wanneer ik de struik tot op een vijftiental meters genaderd ben, maakt ze zich plots los van de grond, en begint te rollen. Het gebeurt haast geruisloos, geniepig, zonder losscheurende wortels, kluiten opspattende aarde of andere indrukwekkende special effects – met een argeloos gebaar, alsof ze wil zeggen: ‘Lang genoeg hier gestaan, ik ben er weer vandoor, aju!’

Langzaam rolt voorwerp a (struik) de rijbaan op, dwars aan de rijrichting. Voorwerp b (man op fiets) begeeft zich aan een snelheid van 27,4 km/u over betreffende rijbaan. Een zeer beperkte kennis van de fysica volstaat om de trajecten van beide objecten te voorspellen. Een iets uitgebreidere kennis van de fysica leert dat de remafstand van voorwerp b te groot is om tijdig tot stilstand te komen. Voorwerp a beschikt bij gebrek aan remtechnologie hoegenaamd niet over een remafstand. Voorwerp b heeft de mogelijkheid om van zijn traject af te wijken middels een weloverwogen en gecontroleerde stuurbeweging – als en slechts als de mentale koelbloedigheid van voorwerp b dit toelaat in de gegeven omstandigheden. Quod non.

Uit het gegevene kunnen wij besluiten dat voorwerp a en voorwerp b met elkaar in aanraking komen op punt c, alwaar voorwerp b ernstig verstrikt raakt in voorwerp a. Dit gaat gepaard met luid gekraak aan de kant van voorwerp a, en hartsgrondig vloeken vanwege voorwerp b.

De torenklok van Fuente Librilla

Het kerkje van Fuente Librilla heeft een bijzondere klok. Het onooglijke dorp in Zuid-Spanje benadert de tijd op een radicaal alternatieve manier. De minutenwijzer telt er de seconden, en gaat dus per minuut eenmaal rond. De uurwijzer telt de minuten, waardoor haar omwenteling twaalf minuten duurt. Af en toe, op schijnbaar willekeurige momenten, belt de klok enkele keren. De inwoners van Fuente Librilla weten dan wel hoe laat het is.

Theorie versus praktijk

Het nationaal park van de Sierra Espuña is mooi en bergachtig. Ik zou er graag mijn tent opzetten, om te slapen tussen de zeldzame flora en fauna. Helaas is elk geschikt plekje keurig voorzien van een bordje met de niet mis te verstane boodschap ‘no campari’. En ik weiger te kamperen op een plek waar ik geen alcohol kan krijgen.

Aan de rand van de bergketen bots ik op een boswachtershuis. Ik informeer naar de overnachtingsmogelijkheden in de buurt. Er is een camping, maar daarvoor moet je twee weken op voorhand online een vergunning kopen, én ook nog eens reserveren. Achter het boswachtershuis zijn er vakantiehuisjes, maar die worden vannacht betrokken door een troep studenten. De boswachter is echter een sympathieke kerel. Hij biedt me een plekje aan in zijn tuin. En in zijn keuken. En hij offreert me wijn bij het avondmaal.

De studenten arriveren in een bus. Ze hebben een practicum ‘tent opzetten’. Zo zijn ze voorbereid op eventuele situaties in hun beroepsleven waarin ze een tent moeten opzetten. Vannacht slapen ze echter veilig in hutjes.

Semmerzake

IMG_4758

Ik fiets over heuvels. Heuvels die door laaglandbewoners en snoeverige coureurs ooit het epitheton ‘berg’ toebedeeld kregen, maar waarvan iemand die wat van bergen weet me onlangs bezwoer dat ze nauwelijks de naam ‘verhoging in het landschap’ waard zijn. Op mijn dij zit een bij, een lifter uit het dal die gehoord had dat de bloemen fleuriger zijn aan de andere kant van de berg. Heuvel. Verhoging.

De bij fietst mee. Eén kilometer, twee, tien. Ze heeft niet gevraagd waar ik heen ga. Zou het bijen iets uitmaken waar ze zijn of waar ze heengaan? Zouden ze de lichte paniek kennen die zich van je meester maakt als je bij nachte in een vreemde stad plots beseft dat je de verkeerde bus hebt genomen? Het was toch nummer 42? Of was het 24? En in welke richting? En waarom is het hier zo donker buiten?

De heuvels maken me dorstig en ik stop bij een bankje voor een verfrissende teug van wat het ook weer was dat ik in mijn drinkbus had gedaan. De bij vliegt op. In haar zacht gezoem hoor ik helder: ‘Kak. Hoe kom ik van hieruit ooit terug in Semmerzake?’

Samengesteld

Sommige mensen die mij voor de eerste keer ontmoeten, denken dat ik Pieter-Jan heet. Het is altijd hetzelfde type mensen dat dit denkt, namelijk mensen die mijn naam te weten komen door op mijn identiteitskaart te kijken. Daarop staat mijn volledige naam: Pieter Jan Helena Van den Brande. Maar die Jan verwijst natuurlijk naar mijn peter, mijn grootvader zaliger. Die heette Arthur. De Jan is in mijn geval dus niet het tweede deel van een samengestelde naam. Nochtans ben ik naar het schijnt vernoemd naar Pieter-Paul Rubens. Een beetje jammer dat die -Paul er ergens tijdens het naamgevingsproces afgevallen is. Ik had ook best Pieter-Paul willen heten. Ik ken iemand die Peter-Paul heet, dat is bijna hetzelfde als Pieter-Paul, en dat lijkt me een erg gelukkige mens. Ik ken ook verschillende Pieter-Jannen (of zijn het Pieter-Jans? Of Pieters-Jan?) en ook zij lijken me minstens even tevreden als hun medemensen zonder samengestelde naam.

Er zijn veel voordelen aan samengestelde namen, en het is dan ook jammer dat ze niet meer zo in zwang zijn. Er waren tijden waarin mensen hun kinderen zonder verpinken Johan-Christian of Wilhelm-Friedemann noemden. Of zelfs Carl-Philipp-Emanuel of Johan-Christoph-Friedrich. In mijn kennissenkring loopt er nog wel een Jan-Sebastiaan rond en een Mart-Joren, zelfs een Dai-Linh, maar verder heten de meeste mensen gewoon Sara of Matthias.

Nochtans kent het palet van de samengestelde namen een grote rijkdom. Eigenlijk kan je zogoed als willekeurig namen met elkaar combineren. Voorbeelden als Jean-Marie bewijzen zelfs dat er geen enkel bezwaar is tegen het samenbrengen van een jongens- en een meisjesnaam – een belangrijke plus in tijden van genderfluïditeit.

Toch hebben naamgevers tot op heden heel wat kansen laten liggen, zeker als het gaat over samengestelde meisjesnamen. Er is veel geëxperimenteerd met Marie-samenstellingen (Marie-Jeanne, Marie-Elisabeth, Marie-Louise, enzovoort), maar waarom zou je je daartoe beperken? Ouders zouden gerust wat creatiever mogen omspringen met de naamgeving van hun dochters. An- en Anna- samenstellingen zijn bijvoorbeeld erg dankbaar: Anna-Lize, Anna-Tommy, An-Davy, An-Archie, … Maar ik zou ook graag eens over maatschappelijke thema’s babbelen met een vrouw die Cindy-Kaat heet. Of mijn boekhouding toevertrouwen aan een Fien-Nancy. Of een bord plastic soep eten met Polly-Esther en Polly-Etty-Leen. Of door een boomgaard wandelen met Mira-Belle.

Wie nu denkt: ‘maar allez Pieter, dat is toch wreed om uw kind zo te noemen, ouders doen zo’n dingen toch niet,’ nodig ik uit om eens te googelen op ‘schaamnaam/faamnaam Coen en Sander’. Die twee Nederlandse DJ’s gaan elk jaar op zoek naar de meest hilarische namen, en bewijzen daarmee dat ouders ronduit meedogenloos kunnen zijn voor hun kinderen. Daar kan ‘A boy named Sue’ nog een puntje aan zuigen.

Aloysius Prickelbaert eet roentgensoep

roentgen

Aloysius Prickelbaert eet roentgensoep. Lange slierten druipen langs zijn mondhoeken in zijn baard en kleuren die tijdelijk doorzichtig. De soep is erg warm, maar dat deert Prieckelbaert niet: hij slurpt, smakt, proeft en geniet genoeglijk.

In koddige, peristaltische schokjes zakt een slok roentgensoep door de slokdarm. Daar waar het vocht passeert en blijft kleven, zie je stukjes van Prickelbaerts binnenkant: de huig, de amandelen, het strottenhoofd. Hij gorgelt – zijn stembanden lichten fel op! De soep daalt langs zijn keel zijn borst in en mengt zich met ouder voedsel in zijn maag. Het voedsel wordt doorzichtig.

Waarom eet Aloysius Prickelbaert roentgensoep? Wil hij gans doorzichtig worden? Onzichtbaar voor de wereld? Om niet meer de honende blikken van de mensheid te moeten ondergaan? Om stiekem onder damesrokken te kunnen gluren? Om zijn eetlust te stillen? Niemand die het weet. Maar hij eet, en lost zichzelf op, als een probleem.

Richard Vooghelenpick

Husqvarna_mowersRichard Vooghelenpick was er nu wel heel zeker van: zijn grasmaaier was een reïncarnatie van Adolf Hitler.

Hoewel de machine nu al enkele weken onaangeroerd in het tuinschuurtje stond, werd Richard sedert enige tijd geteisterd door duistere dromen die hij moeilijk kon duiden. Hij droomde bijvoorbeeld hoe hij, bulderend van het lachen, zijn konijn Flappie VI in de oven stak en de gaskraan open draaide. Of hoe hij zonder pardon de tuin van zijn buurman annexeerde, waarop hij de arme heer Nößkötl beval zijn eigen bakkebaarden af te scheren en ze met peper en zout te verorberen. De respectabele man gehoorzaamde gedwee, de doodsangst in zijn ogen. Telkens wanneer Richard Vooghelenpick uit zo’n droom ontwaakte, rook hij de geur van versgemaaid gras en tweetaktolie. Dit kon geen toeval zijn, begreep hij.

En dus stond hij nu besluiteloos voor de gammele deur van het schuurtje, waarachter de boosaardige grasmaaier zich voorlopig koest hield. Wat kon hij doen? Het toestel vernietigen? Maar hoe moest hij dan voortaan zijn gras maaien? En zou de geest van Hitler dan niet gewoon over springen naar een spade of naar de oude kruiwagen?

‘Richard, ’t eten is gereed!’

Dat was Trampoline, zijn vrouw. Richard haalde zijn schouders op, stelde het probleem Hitler uit tot na de maaltijd, en begaf zich naar binnen, alwaar hij spruiten met worst en puimsteen nuttigde. Dat vond hij zo lekker, dat hij na het eten prompt in slaap viel op de bank.

Die nacht brak het kleine hangslot op de deur van Richard Vooghelenpicks tuinschuurtje in tientallen stukken. Een gedisciplineerd leger van tuingereedschap verspreidde zich bliksemsnel over de rustige buitenwijk, en bezette op gewelddadige wijze grote delen van Europa voor verschillende jaren.

Kaukel

blur brass chrome close up

‘Hej schrale!’ De kweerman roept me toe met rood aangelopen gelaat. Iedereen van wie hij de naam niet kent, heet voor hem ‘schrale’, waarbij hij de ‘s’ uitspreekt als ‘sj’. Sjchrale. ‘Plier jij die kaukel maar even!’

‘Komt in orde, baas!’ Zo zelfverzekerd als ik kan opbrengen, wandel ik naar de bank met werktuigen en neem er willekeurig één vast. Het is een zware, gietijzeren tang, voorzien van diverse uitsteeksels. De symmetrische vorm doet me vaag denken aan een schematische prent in mijn biologieboek. De baarmoeder.

‘Plieren, had ik gezegd, schrale, niet glanken,’ klinkt het vanuit een andere hoek van de werkplaats.

‘Ah, oei, ik had me vergist,’ antwoord ik met een verontschuldigend lachje, terwijl ik vlug het tuig dat ik vast had – blijkbaar een glank of een glanker – terugleg. Ik buig me opnieuw over de alaambak en bestudeer dit keer wat aandachtiger het voor handen zijnde materiaal. Mijn ogen dwalen over lange, bochtige sleutels, hoekige schroevendraaiers met wonderlijk gevormde koppen, complexe toestellen met veertjes, radertjes en hendels, en een minuscuul zilverkleurig hamertje met drie haaks op elkaar staande koppen. Waarmee zou ik die kaukel best plieren? Met een hoopvolle blik wend ik me tot een collega, maar zij is naarstig in de weer met een document dat dringend geëpibreerd moet worden, vermoedelijk bestemd voor Vanuatu of één van de Sandwicheilanden, waar de kaukels geknareld worden met een laagje vok.

Ik zucht, grijp met een bang hart het hamertje en begeef me naar de kweerman, die een ingewikkelde bewerking uitvoert met iets wat lijkt op een ouderwetse onderbroek. Bij nader inzien ís het een ouderwetse onderbroek.

‘Ha, ben je daar eindelijk,’ blaft hij, ‘hier, begin maar te plieren.’

Ik hef met bevende hand het hamertje op, en nog voor ik het kan laten neerkomen op wat ik vurig hoop dat een kaukel is, schreeuwt de kweerman: ‘Waardeloos stuk vreten!’

Hij grist me het werktuig uit de hand en begeleidt me hardhandig naar een kamertje dat aan de werkplaats grenst, en waar ik me de rest van de voormiddag ledig houd met het afwassen van koffiekoppen. Telkens wanneer de kweerman me in het oog krijgt, mompelt hij iets in de trant van ‘beunhaas’ of ‘incompetente amateur’.

En ik kan hem moeilijk ongelijk geven. Want hoewel ik er na de middag in slaag nog een half dozijn wilpen te valgeiren, en zelfs niet onaardig een prok baluin, heb ik, wanneer het aankomt op kaukels plieren, bitter weinig meerwaarde te bieden.